Tennisspelregels titel_jumpingball

Inhoud

Voorwoord
Regel 1: Het speelveld
Regel 2: Vaste hindernissen
Regel 3: De bal
Regel 4: Het racket
Regel 5: De telling in een spel
Regel 6: De telling in een set
Regel 7: De telling in een match
Regel 8: Serveerder en ontvanger
Regel 9: Keuze van speelhelft en opslag
Regel 10: Wisselen van speelhelft
Regel 11: De bal in het spel
Regel 12: De bal raakt een lijn
Regel 13: De bal raakt een vaste hindernis
Regel 14: Volgorde van opslaan
Regel 15: Volgorde van ontvangen in het dubbelspel
Regel 16: De opslag
Regel 17: De uitvoering van de opslag
Regel 18: Voetfout
Regel 19: Opslagfout
Regel 20: Tweede opslag
Regel 21: Opslaan en ontvangen
Regel 22: De service-let
Regel 23: Het overspelen van een punt
Regel 24: Het verlies van een punt
Regel 25: Een goede terugslag
Regel 26: Hinderen
Regel 27: Het verbeteren van fouten of vergissingen
Regel 28: De bevoegdheden van officials op de baan
Regel 29: Onderbrekingen
Regel 30: Coaching

SPELREGELS VOOR ROLSTOELTENNIS
WIJZIGINGEN AAN DE TENNISSPELREGELS

Bijlage I: De bal
Bijlage II: Het racket
Bijlage III: Publiciteit
Bijlage IV: Alternatief scoringssysteem
Bijlage V: Bevoegdheden van officials op de baan
Procedures voor herziening en interpellaties aangaande de tennisspelregels
Schets van het speelveld - Aanbevelingen m.b.t. het merken van het speelveld

Voorwoord
De International Tennis Federatie (ITF) is het sturend orgaan in het tennis en haar verplichtingen en verantwoordelijkheden impliceren tevens dat zij de spelregels voor het tennis vastlegt.
Om haar in deze taak bij te staan heeft ITF een comité opgericht dat het tennisspel en haar spelregels aanhoudend bijstuurt/controleert en aanbevelingen maakt voor tijdelijke of definitieve wijzigingen die moeten worden voorgelegd aan de Raad van Bestuur van ITF. Wijzigingen aan de spelregels van het tennis worden op voorstel van de Raad van Bestuur finaal beslist door de Jaarlijkse Algemene Vergadering van ITF.
Zoals vorige jaren is het aantal belangrijke wijzigingen beperkt. Wel werd de lay-out van het document grondig aangepast in functie van een hedendaags taalgebruik en een betere volgorde.
Hierdoor werd het aantal spelregels ook beperkt. De verwijzingen naar de oude nummers werden in deze nieuwe versie tussen haakjes aangegeven.
Noot: tenzij anders vermeld, geldt elke verwijzing in dit document naar het mannelijk geslacht ook voor het vrouwelijke.

1. HET SPEELVELD (OUD 1 EN 34)
Het speelveld moet een rechthoek zijn, 23,77 m (78 voet) lang en voor het enkelspel 8,23 m (27 voet) breed. Voor het dubbelspel moet het terrein 10,97 m (36 voet) breed zijn.
Het terrein moet dwars over het midden worden gescheiden door een net dat aan een koord of metalen kabel hangt die loopt over of bevestigd is aan twee netpalen op een hoogte van 1,07 m (3 1/2 voet). Het net moet volledig gespannen zijn, zodat het de ruimte tussen de twee netpalen geheel vult en het moet een voldoende kleine maaswijdte hebben, zodat de bal er niet doorheen kan. De hoogte van het net moet in het midden 0.914 m (3 voet) bedragen, waar het strak moet worden neergetrokken door een band (nettrekband). Een band zal aan de bovenzijde van het net de koord of de metalen kabel bedekken. De netband en de nettrekband moeten volledig wit zijn.

  • De maximale diameter van de koord of de metalen kabel moet 0,8 cm (1/3 duim) zijn.
  • De maximale breedte van de nettrekband moet 5 cm (2 duim) zijn.
  • De netband heeft langs beide zijden een afmeting tussen 5 cm (2 duim) en 6,35 cm (2 ½ duim).

Voor het dubbelspel moet het centrum van de netpalen langs weerszijden 0,914 m (3 voet) buiten het terrein staan.
Wanneer voor enkelspelen een enkelspelnet wordt gebruikt, moet het centrum van de netpalen langs weerszijden 0,914 m (3 voet) buiten het enkelspelveld staan. Indien een dubbelspelnet wordt gebruikt, dient het net op een hoogte van 1,07 m (3 ½ voet) langs weerszijden te worden ondersteund door twee enkelspelpaaltjes, waarvan het centrum zich 0,914 m (3 voet) buiten het enkelspelveld bevindt.

  • De netpalen mogen niet groter zijn dan 15 cm (6 duim) in het vierkant of 15 cm (6 duim) in diameter.
  • De enkelspelpaaltjes mogen niet groter zijn dan 7,5 cm (3 duim) in het vierkant of 7,5 cm (3 duim) in diameter.
  • De netpalen en de enkelspelpaaltjes mogen niet meer hoger zijn dan 2,5 cm (1 duim) dan het bovenste gedeelte van de netkoord.

De lijnen op het einde van het speelveld worden de achterlijnen genoemd. De lijnen aan de zijkant zijn de zijlijnen. Langs elke zijde moeten evenwijdig met het net tussen de zijlijnen van het enkelspel twee lijnen getrokken worden op 6,40 m (21 voet) van het net. Deze lijnen worden de opslaglijnen genoemd. Langs weerszijden van het net moet de oppervlakte tussen de opslaglijn en het net door de midden opslaglijn in twee gelijke delen worden verdeeld. Zo ontstaan de opslag- of servicevakken. De midden opslaglijn moet evenwijdig worden getrokken met en halverwege tussen de zijlijnen voor het enkelspel.
Elke achterlijn moet in twee worden verdeeld door een middenmerk van 10 cm (4 duim) lang dat binnen het speelveld evenwijdig met de zijlijnen voor het enkelspel moet worden getrokken.

  • De midden opslaglijn en het middenmerk moeten 5 cm (2 duim) breed zijn.
  • De andere lijnen van het speelveld moeten tussen 2,5 (1 duim) en 5 cm (2 duim) breed zijn, behalve de achterlijnen, die niet meer dan 10 cm (4 duim) breed mogen zijn.

Alle afstanden moeten worden gemeten tot aan de buitenkant van de lijnen en alle lijnen van het speelveld moeten eenzelfde kleur hebben die duidelijk contrasteert met het speeloppervlak.
Er is geen publiciteit toegelaten op het speelveld, het net, de nettrekband, de netband, de netpalen of de enkelspelpaaltjes, behalve zoals voorzien in bijlage III.

2. VASTE HINDERNISSEN (OUD: 2)
De vaste hindernissen van een tennisbaan bevatten de achter- en zijafsluitingen, het publiek, de tribunes en zitjes voor het publiek, andere permanent toebehoren die zich rond of boven het speelveld bevinden, de stoelscheidsrechter, de lijnrechters, de netrechter, ballenjongens en -meisjes die zich op hun plaats bevinden.
In een enkelspelwedstrijd die gespeeld wordt met een dubbelspelnet en enkelspelpaaltjes, zijn de netpalen en het gedeelte van het net langs de buitenzijde van de enkelspelpaaltje vaste hindernissen en worden zij niet beschouwd als netpaal of deel van het net.

3. DE BAL (OUD: 3, 13, 27 EN 32)
Ballen die worden goedgekeurd om te spelen volgens de tennisspelregels, moeten beantwoorden aan de beschrijving in bijlage I.
De Internationale Tennisfederatie zal oordelen of een bal of prototype voldoet aan bovenvermelde specificaties of voor gebruik kan worden aangewend. Dergelijk oordeel kan op eigen initiatief worden genomen of na aanvang van gelijk welke partij die te goeder trouw handelt, spelers, fabrikanten van tennisuitrusting, nationale federaties of hun leden inbegrepen. Dergelijke beoordeling en de toepassing ervan zal plaatsvinden overeenkomstig de vigerende herzienings- en hoorprocedures van de I.T.F. (zie bijlage VI).
De organisatoren moeten voor de start van hun tornooi aankondigen:

  • met hoeveel ballen er zal worden gespeeld (2, 3, 4 of 6);
  • in het voorkomende geval welke regels gelden m.b.t. de ballenwissel.

Een ballenwissel kan worden verricht:

  • ofwel na een overeengekomen oneven aantal spellen, waarbij de eerste ballenwissel tijdens een match twee spellen eerder zal plaats vinden ter compensatie van de opwarming. Een tie-break telt voor één spel bij ballenwissels. Een ballenwissel wordt niet doorgevoerd bij het begin van een tie-break. Wanneer dit het geval is, wordt de ballenwissel doorgevoerd bij het begin van het tweede spel van de volgende set;
  • ofwel bij het begin van een set.

Wanneer een bal stuk gaat tijdens het spel, wordt het punt herspeeld.

Geval 1: wordt een punt opnieuw gespeeld wanneer blijkt dat de speelbal zacht is op het ogenblik dat het punt gespeeld is?
Beslissing: indien een bal zacht is en niet stuk, wordt het punt niet opnieuw gespeeld.
Nota: ballenmerken die gebruikt worden tijdens tornooien die gespeeld worden volgens de tennisspelregels, dienen voor te komen op de officiële ITF-lijst van goedgekeurde ballen.

4. HET RACKET (OUD: 4)
Rackets waarmee kan worden gespeeld volgens de tennisspelregels, moeten beantwoorden aan de beschrijving in bijlage II.
De Internationale Tennisfederatie zal oordelen of een racket of een prototype beantwoordt aan de vereisten zoals vermeld in bijlage II en al dan niet voor het tennisspel kan worden aangewend. Zij kan dit doen op eigen initiatief en op vraag van elke belanghebbende , met inbegrip van elke speler, fabrikant, federatie of lid van een federatie. Zowel uitspraak als aanvragen moeten gebeuren overeenkomstig de van toepassing zijnde herzienings- en hoorprocedures binnen de Internationale Tennisfederatie (zie bijlage VI).

Geval 1: mag een racket meer dan één stel snaren bevatten in het slagoppervlak?
Beslissing: neen. De regel spreekt duidelijk van één patroon en niet van patronen van gekruiste snaren.

Geval 2: kan het patroon van besnaren van een racket als ‘zoveel mogelijk gelijkvormig’ en plat beschouwd worden, indien de snaren zich in meer dan één vlak bevinden?
Beslissing: neen.

Geval 3: kan een trillingsdemper worden aangebracht op de snaren van een racket en, zo ja, waar kan deze worden aangebracht?
Beslissing: ja, maar deze dempers mogen uitsluitend worden aangebracht buiten het patroon van de gekruiste snaren.

Geval 4: tijdens het spel gaan de snaren van het racket van een speler toevallig stuk. Mag hij met een racket in een dergelijke toestand verder spelen?
Beslissing: ja.

Geval 5: mag een speler tijdens het spel meer dan één racket gebruiken?
Beslissing: neen.

Geval 6: mag een batterij die het spel kan beïnvloeden geïntegreerd worden in een racket?
Beslissing: neen. Een batterij is verboden omdat het een energiebron is, zoals zonnecellen of andere gelijkaardige apparaten.

5. DE TELLING IN EEN SPEL (OUD: 26 EN 27)
a.Standaardspel
In een standaardspel wordt als volgt geteld, beginnend met de score van de serveerder:

  • geen punt          'nul' 
  • eerste punt        '15' 
  • tweede punt      '30'  
  • derde punt         '40'  
  • vierde punt        'spel'

Wanneer beide spelers/teams drie punten gewonnen hebben is de score gelijk. De speler of het team dat bij de score ‘gelijk’ het volgende punt wint, bekomt ‘voordeel’. Indien zij nogmaals het volgende punt winnen, wint/winnen hij/zij het spel. Indien de tegenstrever(s) het volgende punt wint/winnen, wordt de score weer ‘gelijk’. Om het spel te winnen moet een speler/team twee opeenvolgende punten na een gelijke stand winnen.

b.Tie-break spel
Tijdens een tie-break spel is het scoreverloop ‘nul’, ‘1’, ‘2’, ‘3’, enz. De (het) eerste speler/team die/dat zeven punten wint, wint het ‘spel’ en de ‘set’, op voorwaarde dat er twee punten verschil zijn met de tegenstrever(s). Indien noodzakelijk wordt het tie-break spel voortgezet tot dit verschil is bereikt.
De speler die aan de opslag is, serveert voor het eerste punt in het tie-break spel. Voor de volgende twee punten wordt geserveerd door de tegenstrever(s) (bij dubbelspel de tegenstrever die normaal moet serveren). Elk(e) speler/team serveert hierna beurtelings voor twee opeenvolgende punten tot aan het einde van het tie-break spel (bij het dubbelspel worden de servicebeurten binnen hetzelfde team in dezelfde volgorde voortgezet als tijdens de betrokken set).
De speler/het team die/dat eerst aan de opslag was tijdens het tie-break spel, zal ontvangen in het eerste spel van de volgende set.
Bijkomende goedgekeurde alternatieve scoringssystemen vindt u terug in bijlage.

6. DE TELLING IN EEN SET (OUD: 27)
De twee (2) belangrijkste methodes om score in set weer te geven zijn ‘advantage set’ en een ‘tie-break set’. Beide methodes mogen gebruikt worden op voorwaarde dat voor het begin van de ontmoeting aangekondigd wordt welke van de twee gebruikt zal worden.. Indien men opteert voor de ‘tie-break’ methode dient men eveneens vooraf te bepalen of de beslissende set al dan niet zal gespeeld worden als ‘tie-breakset’ of ‘advantage set’.
a. ‘Advantage set’
    De speler/ploeg die het eerst zes (6) spellen wint, wint de set op voorwaarde dat gewonnen wordt met
    2 spellen verschil. Indien nodig wordt verder gespeeld tot dit verschil van 2 spellen is bereikt.
b. ‘tie-break set’
    De speler/ploeg die het eerst (6) spellen wint, wint de set op voorwaarde dat gewonnen wordt met 2
    spellen verschil. Bij een score van 6 gelijk zal een tie-break gespeeld worden.
    In bijlage IV vind je bijkomende goedgekeurde scoringssystemen.

7. DE TELLING IN EEN MATCH (OUD: 28)
Een wedstrijd wordt gespeeld naar de beste van 3 sets (2sets moeten gewonnen worden) of de beste van 5 sets (3 sets moeten gewonnen worden)
In bijlage IV alternatief goedgekeurde scoringsmethodes.

8. SERVEERDER en ONTVANGER (OUD: 5)
Spelers/teams staan aan weerszijden van het net. De speler die als eerste de bal in het spel brengt is de serveerder, de andere is de ontvanger.

Geval 1: mag de ontvanger buiten het terrein gaan staan?
Beslissing: Ja. De ontvanger mag gelijk waar gaan staan (binnen of buiten de lijnen) aan zijn kant van het net.

9. KEUZE VAN SPEELHELFT EN SERVICE (OUD: 6)
De keuze van kant en de keuze om te serveren of te ontvangen wordt voor aanvang van de opwarming beslist door loting. De speler/team die de toss wint heft de volgende keuzes:
a. het recht om serveerder of ontvanger te zijn, in dit geval kiest de tegenstrever een kant voor het
    eerste spel van de wedstrijd; of
b. hij kiest een kant, in dit geval heft tegenstrever het recht te kiezen om te serveren of te ontvangen; of
c. hij laat de keuze aan de tegenstrever.

Geval 1 :Hebben beide spelers/teams recht op nieuwe keuzes indien de opwarming onderbroken wordt en de spelers het terrein verlaten?
Beslissing: Ja. De uitslag van de loting blijft, beide spelers/teams hebben recht op nieuwe keuzes.

10. WISSELEN VAN SPEELHELFT (OUD: 16)
De spelers moeten van speelhelft wisselen na het eerste, derde en elk volgend oneven spel van elke set.
De spelers/teams zullen eveneens van speelhelft wisselen aan het einde van elke set, behalve indien het totaal aantal spellen in die set even is. In dit geval wordt van kant gewisseld na het eerste spel van de volgende set.
Tijdens een tie-break wordt elke zes punten van kant gewisseld.

11. DE BAL IN HET SPEL (OUD: 17)
De bal is in het spel van het ogenblik dat de serveerder de bal raakt en blijft in het spel tot het punt beslist is, tenzij een fout of net wordt afgeroepen.

12. BAL OP DE LIJN (OUD: 22)
Een bal die een lijn raakt wordt geacht de grond te raken binnen het speelveld dat door die lijn wordt begrensd.

13. DE BAL RAAKT VASTE HINDERNIS (OUD: 23)
Indien de bal, die in het spel is, een vaste hindernis raakt nadat hij de grond raakte binnen het juiste speelveld wint de speler die de bal speelde het punt. Raakt de bal een vaste hindernis vooraleer de grond te raken wint de tegenstrever het punt.

14. VOLGORDE VAN SERVEREN (OUD: 15 en 35)
Aan het einde van elk spel wordt de ontvanger serveerder en de serveerder ontvanger voor het volgend spel.
Dubbel : het team dat aan de beurt is om te serveren in het eerste spel beslist welke van beide spelers begint te serveren. Hetzelfde geldt voor het tweede spel ; ook hier zullen de spelers bepalen wie van beide eerst zal serveren. De partner van de speler die serveerde voor het eerste spel zal serveren voor het derde spel; de partner van de speler die serveerde voor het tweede spel zal serveren voor het vierde spel. Deze volgorde blijft aangehouden gedurende de ganse set.

15. VOLGORDE VAN ONTVANGEN IN DUBBEL (OUD: 35,36,40)
Het team dat ontvanger is voor het eerste spel van een set beslist welke speler het eerste punt zal ontvangen. Zijn partner wordt dan ontvanger van het tweede punt; deze volgorde blijft tot het einde van het spel en de set.
Hetzelfde geldt voor de tegenstrevers, zij beslissen bij het begin van het tweede spel wie van beiden eerst ontvangt.
Nadat de ontvanger de bal heft teruggeslagen mag elke speler vrij de bal slaan.

Geval 1:Mag één van beide spelers alleen spelen tegen de tegenstrevers?
Beslissing: Neen

16. DE OPSLAG (OUD: 7)
De ‘service’ dient op volgende wijze uitgevoerd: Onmiddellijk vooraleer de serveerder de opslagbeweging inzet, moet hij met beide voeten stilstaan achter (d.i. verder van het net dan) de achterlijn en tussen de denkbeeldige verlengingen van het middenmerk en de zijlijn.
De serveerder gooit dan de bal met zijn hand in een willekeurige richting en raakt de bal met het racket vooraleer deze de grond raakt. De ‘service’ is beëindigd zogauw de speler de bal raakt met zijn racket of de bal mist.
Een speler die slechts over één arm beschikt mag zijn racket gebruiken voor het opgooien van de bal.

17. SERVEREN (OUD: 9,27)
Bij uitvoering van de opslag zal de serveerder afwisselend van de rechter- en linkerhelft van zijn speelhelft staan, beginnende van rechts.
Ook voor een tie-breakspel zal de service geslagen worden van verschillende speelhelften te beginnen van rechts.
De geserveerde bal zal over het net gaan en de grond raken in het servicevak dat diagonaal tegenover de serveerder ligt vooraleer de ontvanger de bal mag terugslaan.

18. VOETFOUT (OUD: 7,8)
a. Positiewisseling door gaan of lopen (lichte beweging van de voeten is toegestaan);
b. raken van de achterlijn of het terrein met gelijk welke voet;
c. met gelijk welke voet de denkbeeldige verlenging van de zijlijn raken;
d. met gelijk welke voet de denkbeeldige verlenging van het middenmerk raken.
Bij inbreuk van deze regel wordt voetfout afgeroepen

Geval 1: Mag de serveerder in een enkelwedstrijd gaan staan achter de achterlijn tussen de zijlijnen voor het enkel- en dubbelspel?
Beslissing: Neen

Geval 2: Mag de speler één of beide voeten van de grond hebben?
Beslissing: Ja

19. OPSLAGFOUT (OUD: 10,39)
De service is foutief als :
a. indien de serveerder een overtreding begaat tegen regels 16,17,18;
b. indien de serveerder de bal mist terwijl hij deze tracht te slaan;
c. indien de geserveerde bal een vaste hindernis, een enkelspelpaal of een netpaal raakt vooraleer de grond te raken;
d. indien de geserveerde bal de serveerder of zijn partner (of iets dat ze aanhebben of dragen) raakt.

Geval 1: Nadat de serveerder een bal heeft opgegooid om te serveren besluit hij niet te slaan en deze weer op te vangen. Is dit fout?
Beslissing: Neen, de speler mag de bal terug opvangen met de hand of het racket of hem laten botsen.

Geval 2: Is het een servicefout wanneer de geserveerde bal tijdens een enkelspel, gespeeld op dubbelspelveld met enkelspelpaaltjes,een enkelspelpaaltje raakt en in het juiste servicevak terechtkomt?
Beslissing: Ja

20. TWEEDE OPSLAG (OUD: 11)
Na een eerste foutieve opslag moet de serveerder onmiddellijk een tweede opslag slaan vanachter dezelfde kant vanwaar hij de fout serveerde, behalve indien de eerste opslag vanaf de verkeerde kant werd geserveerd.

21. ONTVANGER MOET KLAAR ZIJN (OUD: 12,30)
De serveerder zal niet opslaan vooraleer de ontvanger klaar is; nochtans de ontvanger dient zich aan te passen aan het opslagritme van de serveerder en klaar te staan binnen redelijke tijd. Indien de ontvanger probeert de bal terug te slaan, wordt hij geacht klaar te zijn. Indien de ontvanger echter duidelijk te kennen geeft dat hij niet klaar was mag hij geen foutopslag reclameren.

22. SERVICE-LET (OUD: 14)
De opslag is een let :
a. indien de geserveerde bal het net, de netband,of de nettrekband raakt en overigens goed is, of na het raken van het net, de netband of nettrekband, de ontvanger (of zijn partner) raakt of iets wat deze draagt of vasthoudt vooraleer de grond te raken;
b. indien de bal geserveerd wordt als de ontvanger niet klaar is.
Ingeval van een servicelet, telt de betreffende service niet, de serveerder zal opnieuw opslaan. Echter een servicelet kan nooit een vorige servicefout teniet doen.

23. OVERSPELEN VAN PUNT ‘LET’ (OUD: 13,25)
In alle gevallen waar een ‘let’ wordt gegeven, behalve een service-let op tweede opslag, wordt het ganse punt overgespeeld.

Geval 1: Tijdens het spel rolt een vreemde bal op het terrein. De serveerder had eerder een eerste servicefout gemaakt. Heeft de serveerder nu recht op 1 of op 2 nieuwe services?
Beslissing: Eerste opslag. Het gehele punt moet worden overgespeeld.

24. SPELER VERLIEST HET PUNT (OUD: 18,19,20,40)
De speler verliest het punt als:
a. de speler slaat twee opeenvolgende servicefouten;
b. de speler slaat de bal niet terug vooraleer hij tweemaal gebotst heeft;
c. de speler slaat de bal zo terug dat deze de grond of een voorwerp raakt buiten het juiste speelvak;
d. de speler de bal terugslaat en een vaste hindernis raakt vooraleer te botsen;
e. de speler de bal opzettelijk ‘draagt’ of de bal opzettelijk meer dan eens raakt met het racket;
f. de speler (of zijn racket) ongeacht of hij ze vasthoudt of niet,of iets wat hij vasthoudt of draagt het net, 
   de netpalen,de enkelspelpalen,de netkoord, de nettrekband, de grond in de speelhelft van de
   tegenspeler raakt terwijl de bal nog in het spel is;
g. de speler de bal raakt vooraleer hij het net gepasseerd is;
h. de bal de speler of iets dat hij draagt of vasthoudt (behalve racket) raakt;
i. indien hij zijn racket naar de bal gooit en deze raakt;
j. indien hij opzettelijk de vorm van het racket wezenlijk verandert;
k. indien , in dubbel, beide spelers de bal raken tijdens een terugslag.

Geval 1: nadat de serveerder een eerste service geslagen heeft, vliegt het racket uit zijn hand en raakt het net, voordat de bal de grond heeft geraakt. Is dit een fout of verliest de speler het punt?
Beslissing: de serveerder verliest het punt, omdat zijn racket het net raakt, terwijl de bal in spel is.

Geval 2: nadat de serveerder een eerste service geslagen heeft, vliegt het racket uit zijn hand en raakt het net, nadat de bal de grond buiten het juiste servicevak heeft geraakt. Is dit een fout of verliest de speler het punt.
Beslissing: Dit is een fout, omdat de bal uit spel was toen het racket het net raakte.

Geval 3: In een dubbelwedstrijd raakt de medespeler van de ontvanger het net voordat de geserveerde bal de grond raakt buiten het juiste servicevak. Wat is de juiste beslissing?
Beslissing: de ontvangers verliezen het punt omdat de medespeler van de ontvanger het net raakte terwijl de bal in spel was.

Geval 4: verliest een speler het punt indien hij voorbij de denkbeeldige verlenging van het net loopt voor of na het slaan van de bal?
Beslissing: De speler verliest in geen van beide gevallen het punt op voorwaarde dat hij de speelhelft van zijn tegenstrever niet raakt.

Geval 5: Mag een speler, terwijl de bal in spel is, over het net springen in het speelveld van zijn tegenstrever?
Beslissing: Neen. De speler verliest het punt.

Geval 6: Een speler gooit zijn racket naar de bal. Racket en bal komen over het net in het speelveld van de tegenstrever. Deze kan de bal niet terugslaan. Wie wint het punt?
Beslissing: de speler die zijn racket naar de bal gooide verliest het punt.

Geval 7: Een geserveerde bal raakt de tegenstrever of in dubbelspel de medespeler van de ontvanger vooraleer de bal de grond raakt. Welke speler wint het punt?
Beslissing: De serveerder wint het punt, tenzij het een service-let betreft (regel 22)

Geval 8: Een speler die buiten het speelveld staat, slaat de bal of vangt hem op vooral hij botst. Hij maakt aanspraak op het punt, omdat de bal zeker ‘uit’ zou zijn gegaan.
Beslissing: De speler verliest het punt, tenzij hij de bal goed terugslaat in welk geval het spel voortgaat.

25. EEN GOEDE TERUGSLAG (OUD 24)
een terugslag is goed als:

  • de bal het net raakt of de netpalen, de enkelspelpaaltjes, het netkoord of de netkabel, de netband of de nettrekband, hierover gaat en de g rond in het speelveld raakt; uitgezonderd als voorzien in Regel 2 en 24 (d); of
  • de gespeelde bal (opslag of terugspeelbal) de grond in het juiste speelveld raakt en terugspringt ,of over het net wordt teruggeblazen, en de speler, die aan de beurt is de bal te slaan, over het net reikt en de bal slaat, mits hij geen overtreding begaat tegen Regel 24; of
  • de bal wordt teruggeslagen buiten de netpaal om, onverschillig of dit boven of onder nethoogte geschiedt, ook wanneer de bal de netpaal of het enkelspelpaaltje mocht raken, mits de bal de grond in het juiste speelveld raakt; uitgezonderd als voorzien in Regel 2 en 24 (d); of
  • de bal vliegt onder de netkabel tussen het enkelspelpaaltje en aangrenzende netpaal zonder dat de bal het net, de netkabel of netpaal raakt en de grond raakt in het goede speelveld, of
  • het racket van een speler over het net komt, nadat hij de bal heeft geslagen op zijn eigen speelhelft en de bal de grond in het juiste speelveld raakt, of
  • de speler de bal in het spel terugslaat, die een in het speelveld liggende bal raakt.


Geval 1 : Een terugslag raakt het enkelspelpaaltje en stuit dan in het speelveld van de tegenstrever. Is dit een goede terugslag?
Beslissing: Ja. Wanneer echter de bal geserveerd is en het enkelspelpaaltje raakt, is dit een servicefout.

Geval 2 : Een bal in het spel raakt een andere bal die in het speelveld ligt. Wat is de juiste beslissing?
Beslissing: Het spel gaat door. Als het voor de scheidsrechter niet duidelijk is of de juiste bal wordt teruggespeeld, moet hij een let geven.

26. HINDER. (OUD: 21, 25 & 36)
Indien een speler tijdens het uitvoeren van zijn slag opzettelijk gehinderd wordt door zijn tegenstrever, wint hij het punt.
Het punt zal opnieuw gespeeld worden als de speler bij het uitvoeren van een slag gehinderd wordt door iets buiten zijn toedoen, of indien deze hinder onopzettelijk gebeurde (vaste hindernissen worden buiten beschouwing gelaten).

Geval 1 : Is het onopzettelijk tweemaal raken van de bal een handeling, die de tegenstrever hindert?
Beslissing: Neen. Zie ook Regel 24(e).

Geval 2 : Een speler stopt met spelen omdat hij dacht dat zijn tegenstrever gehinderd werd. Is dit een hinder?
Beslissing: Neen, deze speler verliest het punt.

Geval 3 : Tijdens het spel raakt de bal een overvliegende vogel. Is dit een hinder?
Beslissing: Ja, het punt wordt opnieuw gespeeld.

Geval 4 : Een speler wordt, nadat het spel startte, gehinderd door een bal of ander voorwerp dat zich bevindt op zijn speelhelft. Is dit een hinder?
Beslissing: Neen.

Geval 5 : Waar mogen tijdens een dubbelwedstrijd de medespeler van de serveerder of de ontvanger staan?
Beslissing: De medespeler van de serveerder of de ontvanger mag aan zijn kant van het net staan waar hij wil, binnen of buiten het speelveld. Echter, indien een speler zijn tegenstrever hindert, is regel 26 van toepassing.

27. VERBETERING VERGISSINGEN (Nieuw).
Wanneer een vergissing tegen de Tennisspelregels is ontdekt, zullen principieel alle gespeelde punten behouden blijven. Vergissingen die ontdekt zijn, zullen als volgt verbeterd worden.
a. (OUD 9a, 11 & 27 b.iii)
    Tijdens een gewoon spel of een tie-break zal, indien de serveerder van de verkeerde kant van zijn
    speelhelft serveerde, de servicevolgorde hersteld worden van zodra deze vergissing ontdekt werd
    en dit in overeenstemming met de score. Een foutieve service geslagen vooraleer de vergissing werd
    ontdekt blijft behouden.
b. (OUD 16)
    Tijdens een gewoon spel of een tie-break, indien de spelers zich aan de verkeerde kan van hun
    speelhelft staan, zal deze vergissing zo snel mogelijk na de ontdekking hersteld worden. De
    serveerder zal nu serveren aan de juiste kant van zijn speelhelft en dit in overeenstemming met de
    score.
c. (OUD 15 & 37)
    Indien een speler serveert, wanneer het zijn beurt niet is, moet de speler, die had moeten serveren,
    gaan serveren zodra de vergissing is ontdekt. Indien echter een spel is beëindigd, voordat de
    vergissing is ontdekt, wordt het serveren in de gewijzigde volgorde voortgezet.
    Een enkele foutieve service, geslagen door de tegenstrever(s) voor de ontdekking, wordt niet geteld.
    Dubbelspel: indien een van de spelers van het team serveert als het zijn beurt niet is zal elke foute
    service, geslagen voor de ontdekking van de vergissing, geldig blijven.
d. (OUD 27, Geval 3)
    Wanneer tijdens een tie-break een speler buiten zijn beurt serveert, en de vergissing word ontdekt
    na een even aantal punten, dan wordt de vergissing onmiddellijk verbeterd. Indien de vergissing
    wordt ontdekt na een oneven aantal gespeelde punten, wordt het serveren in de gewijzigde
    volgorde voortgezet.
    Een foutieve service van de tegenstrevers geslagen vooraleer de vergissing wordt ontdekt, telt niet.
    Dubbelspel: indien één van de spelers van het team serveert als het zijn beurt niet is, zal elke
    foutieve service, geslagen voor de ontdekking, geldig blijven.
e. (OUD 38)
    Indien gedurende een gewoon spel of tijdens een tie-break de volgorde van het ontvangen van de
    service is gewijzigd door de ontvangers, moeten zij in deze volgorde verder spelen tot het einde
    van het spel. In het volgende spel, waarin zij weer ontvangers zijn, moeten ze hun oorspronkelijke
    opstelling weer innemen.
f. (OUD 27, Geval 1)
    Indien per vergissing bij een stand 6 gelijk gestart wordt met een tie-break,  niettegenstaande vooraf
    werd aangekondigd dat de set met twee punten verschil diende gespeeld te worden, zal de
    vergissing onmiddellijk hersteld worden indien slechts één punt werd gespeeld. Wanneer de
    vergissing wordt ontdekt nadat de bal in het spel is gebracht voor het tweede punt, moet het
    spel worden voortgezet als een tie-break-spel.
g. (OUD 27, Geval 2)
    Indien per vergissing bij een stand 6 gelijk gestart wordt met een gewoon spel, niettegenstaande
    vooraf werd aangekondigd dat de set beëindigd wordt met een tie-break, zal de vergissing
    onmiddellijk hersteld worden indien slechts één punt werd gespeeld. Indien de vergissing wordt
    ontdekt nadat de bal in spel is gebracht voor het tweede punt, moet het spel worden voortgezet
    als in een spel met 2 spellen verschil totdat de score 8-8 gelijk (of een hoger even aantal) is.
    Dan moet (alsnog) een tie-break gespeeld worden.
h. (NIEUW)
    Indien per vergissing een ‘set met twee punten verschil’ of ‘tie-break-set’ wordt gestart,
    niettegenstaande vooraf werd aangekondigd dat de set beëindigd wordt met een ‘beslissend
    tie-break-spel), zal de vergissing onmiddellijk worden hersteld indien slechts één punt werd
    gespeeld. Indien de vergissing wordt ontdekt nadat de bal in spel is gebracht voor het tweede punt,
    wordt de set verder gespeeld tot een speler of team 3 spellen wint (en hierdoor de set) of tot de
    set de stand 2-2 bereikt en dan een ‘beslissend tie-break-spel’. Indien echter de vergissing ontdekt
    wordt na aanvang van het vijfde spel, wordt de set verder gespeeld als een gewone ‘tie-break set’.
    (zie bijlage IV)
i. (OUD 32)
    Indien de ballen niet op het juiste moment zijn gewisseld, moet deze fout worden hersteld als de
    speler/team, die had moeten serveren met nieuwe ballen, wederom aan de beurt is om te serveren.
    Daarna moeten de ballen derwijze worden gewisseld dat het overeenstemt met het aantal spellen
    dat tussen de wisselingen oorspronkelijk overeengekomen werd. Ballen mogen niet gewisseld
    worden tijdens het spel.

28. BEVOEGDHEDEN VAN OFFICIALS OP DE BAAN (OUD 29)
Voor de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van aangewezen officials verwijzen we naar Bijlage V.

29. ONDERBREKINGEN EN RUSTPERIODEN (OUD 29 & 30)
Er moet zonder onderbreking worden gespeeld vanaf de eerste service tot de wedstrijd is beslist.

a. Tussen de punten is een onderbreking van max. 20 sec. toegelaten. De spelonderbreking tijdens
    de kantwisseling bedraagt max. 90 sec. Echter na het eerste spel van elke set en tijdens de tie-break,
    zal het spel niet onderbroken worden en zullen de spelers niet rusten tijdens de kantwisseling. Aan
    het einde van elke set zal er een rustperiode zijn van maximaal honderdtwintig (120 sec). Deze
    maximumtijd start op het ogenblik dat de bal uit het spel is tot het moment dat de bal wordt geslagen
    voor het eerste punt van het volgend spel. Organisatoren van professionele tornooien mogen mits
    toelating van ITF de toegestane tijdsduur van 90 sec. tijdens de kantwisseling verlengen. Dit geldt
    ook voor de toegestane 120 sec. op het einde van elke set.
b. Indien door omstandigheden, buiten de wil van de speler, diens kledij, schoeisel of uitrusting (het
    racket uitgezonderd) in het ongerede raakt of dient vervangen te worden, kan de speler beschikken
    over een ‘redelijke tijd’ om het probleem op te lossen.
c. De speler krijgt echter geen extra tijd om op krachten te komen. Echter, bij een door ongeval ontstane
    blessure, mag de scheidsrechter eenmalig drie minuten onderbreking voor die blessure toestaan.
    Een beperkt aantal onderbrekingen (toilet/verandering van kledij)mag toegestaan worden indien dit
    voor aanvang van het evenement werd aangekondigd.
d. Tornooiorganisatoren mogen een rustperiode van tien (10) min. toestaan op voorwaarde dat dit
    aangekondigd werd voor aanvang van het evenement. Deze rustperiode kan genomen worden
    na de 3de set (wedstrijd naar 3 winnende sets) of na de 2de set (wedstrijd naar 2 winnende sets).
e. De inspeeltijd voorafgaande aan een wedstrijd mag de vijf (5) min. niet overschrijden tenzij
    aangekondigd voordat het evenement aanvangt.

30. COACHING (OUD 31)
Als coaching worden beschouwd: mededelingen, raad of onderrichtingen van om het even welke aard, zichtbaar of hoorbaar, aan een speler.
In een ploegencompetitie waar zich een kapitein op de spelersbank bevindt, mag deze de speler coachen na de set en tijdens de kantwisseling op het einde van het spel. Dit mag echter niet wanneer de spelers wisselen van kant na het eerste spel van elke set en niet tijdens de tiebreak.
In alle andere wedstrijden is coaching niet toegelaten.

Geval 1 : Mag een speler gecoacht worden, als dit gebeurd door discrete signalen?
Beslissing: Neen.

Geval 2: Mag een speler gecoacht worden als de wedstrijd onderbroken is?
Beslissing: Ja.

SPELREGELS VOOR ROLSTOELTENNIS

Rolstoeltennis volgt de tennisspelregels opgemaakt door de Internationale Tennisfederatie behoudens enkele uitzonderingen:

a. De dubbele bots-regel.
    Bij rolstoeltennis mag de bal twee maal botsen. De speler moet de bal terugslaan vooraleer
    de bal een derde keer botst. De tweede bots mag ofwel binnen of buiten het speelveld stuiten.
b. De rolstoel.
    De rolstoel maakt deel uit van het lichaam en alle ITF-regels die van toepassing op het lichaam van de
    speler zijn ook van toepassing op de rolstoel.
c. De opslag.
    i.   De service zal worden uitgevoerd als volgt. Vlak voor het serveren, zal de serveerder volledig 
        stilstaan. Vervolgens wordt aan de serveerder één duw toegestaan alvorens de bal te slaan.
    ii. Tijdens het uitvoeren van de service mag de serveerder met geen enkel wiel enig ander gedeelte
        van het veld aanraken dan dat gelegen achter de achterlijn tussen de denkbeeldige verlenging van
        het middenmerk en de zijlijn.
    iii. Indien de conventionele methode voor het uitvoeren van de service voor een vierdelig gehandicapt
        persoon fysisch gezien onmogelijk is, mag een speler of een andere persoon voor dergelijke speler 
        de bal opgooien. In elk geval dient telkens dezelfde servicemethode te worden gebruikt. 
d. Verlies van een punt.
    Een speler verliest het punt indien:
    i.   hij de bal niet kan terugslaan vooraleer deze de grond een derde maal raakt;
    ii.  hij gebruik maakt van zijn voeten of van om het even welk lager gelegen deel tegen de grond of
        tegen een wiel wanneer de bal in spel is;
    iii. hij er bij balcontact niet in slaagt om 1 dij in contact te houden met de rolstoelzitplaats. 
e. Vooruit bewegen van de stoel met de voet.
    i.  Indien de speler zijn stoel niet kan vooruit bewegen door middel van het duwwiel, mag hij zijn stoel
        vooruit bewegen door middel van één voet.
    ii. In overeenstemming met bovenstaande regel e)i waarbij de speler zijn stoel mag vooruit bewegen
        met zijn voet, mag geen enkel deel van zijn voet in contact komen met de grond:
        a) tijdens de voorwaartse uitzwaai, inbegrepen als de racket de bal raakt.
        b) vanaf de voorbereiding van de service totdat hij de b al raakt.
    iii. Een speler die een inbreuk begaat tegen deze regel verliest het punt. 
f. Rolstoel/Tennis voor validen.
    Wanneer een rolstoeltennisser zoals omschreven in regel 1 supra met of tegen een valide tennisser
    speelt in enkel- of dubbelspel, zijn de rolstoeltennisspelregels van toepassing voor de rolstoeltennisser
    en zijn de tennisspelregels voor valide spelers van toepassing voor de valide spelers. In voorkomend
    geval worden aan de rolstoeltennisser twee balbotsen toegestaan terwijl aan de valide tennisser
    slechts één balbots wordt toegestaan.

Noot: De definitie van lagere rompuiteinden is: de onderste ledematen, met inbegrip van de billen, de heup, de dij, het been, de enkel en de voet.

WIJZIGINGEN AAN DE TENNISSPELREGELS

De enige officiële en bindende tekst van de tennisspelregels zal steeds de tekst in de Engelse taal zijn. Enkel tijdens de Annual General Meeting van de Internatonale Tennis Federatie kunnen wijzigingen worden aangebracht of interpretaties besproken worden van de tennisspelregels,op voorwaarde dat de I.T.F. overeenkomstig Regel 17 (kennisgeving resoluties) hiervan voorafgaandelijk in kennis werd gesteld. Deze resoluties (of voorstellen van dezelfde aard) vereisen een 2/3e meerderheid van de aanwezige stemmen.
Wijzigingen aan de tennisspelregels treden effectief in voege op de 1ste januari van het daaropvolgende jaar tenzij de Annual General Meeting met dezelfde 2/3de meerderheid hier anders over beslist.
Het Comité of Management van de I.T.F. heeft echter het recht om dringende interpretatiewijzigingen aan te brengen die tijdens de eerstvolgende General Meeting kunnen worden bevestigd. Deze regel kan niet worden gewijzigd behoudens het unaniem akkoord van de General Meeting.

BIJLAGE I
DE BAL

a. De bal moet een gelijkmatig buitenoppervlak, een weefselbedekking hebben en wit of geel van kleur zijn.
    Indien er naden in de bekleding zijn, mogen die niet genaaid zijn.
b. De bal moet conform zijn aan deze vereisten en moet meer dan 56,0 gram en minder dan 59,4 gram
    wegen.
c. Meerdere types van ballen zijn gespecificeerd. De bal moet meer dan 135 cm stuiten en minder dan
    147 cm, wanneer men deze van een hoogte van 254 cm op een betonnen vlak laat vallen.
    Bal type 1 (snel) moet een voorwaartse vormverandering hebben van meer dan 0,495 cm en minder
    dan 0,597 cm en een terugwaartse vormverandering van meer dan 0,673 cm en minder dan 0,914 cm
    onder een kracht van 8,165 kg.
    Bal type II (medium snelheid) en type III (trage snelheid) moet een voorwaartse vormverandering hebben
    van meer dan 0,559 cm en minder dan 0,737 cm en een terugwaartse vormverandering van meer dan
    0,800 cm en minder dan 1,080 cm onder een kracht van 8,165 kg. De beide vormveranderingen moeten
    de gemiddelden zijn van de drie individuele lezingen langs de willekeurige middellijnen van de b al en de
    twee individuele lezingen mogen in geen geval onderling meer verschillen dan 0,076 cm.
d. Wanneer gespeeld wordt op een hoogte van meer dan 1219 m boven de zeespiegel, mogen twee
    bijkomende baltypes worden gebruikt.
e. Het eerste type is identiek aan Bal Type II (medium snelheid) met uitzondering van volgende
    karakteristieken: de bal moet meer dan 121,92 cm stuiten en minder dan 135 cm. De interne druk dient
    bovendien groter te zijn dan de externe druk. Dit type tennisbal is beter bekend onder de benaming
    “ballen onder druk”.
f. Het tweede type is identiek aan Bal Type II (medium snelheid) met uitzondering van het feit dat de bal
    een interne druk moet hebben die ongeveer overeenkomt met de externe druk. De bal moet tenslotte
    gedurende minstens 60 dagen op de hoogte waarop het tornooi in kwestie doorgaat, geacclimatiseerd
    te worden. Dit type tennisbal is beter gekend onder de benaming “ballen niet onder druk”.
g. Het derde type van ballen die aanbevolen is om te spelen op gelijk welke speelbodem op 1.219 m.
    boven de zeespiegel is Bal Type 3 (trage snelheid).
h. Alle proeven voor stuiten, afmeting en vervorming moeten worden gedaan overeenkomstig de hieronder 
    vastgestelde richtlijnen.

Geval 1. Welke bal dient gebruikt te worden op welke ondergrond?
Beslissing: 3 types van ballen zijn toegelaten om te spelen onder toepassing van de Tennisspelregels.

a) Bal type 1 (snel) is bedoeld om te spelen op trage banen.
b) Bal type 2 (medium snelheid) is bedoeld om te spelen op medium snelle banen.
c) Bal type 3 (trage snelheid) is bedoeld om te spelen op snelle banen.

RICHTLIJNEN VOOR DE KWALITEITSCONTROLES

i.  Tenzij anders nader omschreven moeten alle tests worden gedaan bij een temperatuur van ongeveer
    20 graden Celsius (68 graden Fahrenheit) en een relatieve vochtigheid van ongeveer 60%. Alle ballen
    dienen uit het blik te worden gehaald en gedurende 24 uur voorafgaande aan het nemen van de test op
    de erkende temperatuur en vochtigheid te worden gehouden en moeten die temperatuur en die
    vochtigheidsgraad hebben aangenomen, wanneer met de test wordt begonnen.
ii. Tenzij anders nader omschreven, gelden de limieten voor een test, uitgevoerd bij een atmosferische druk 
    die een barometeraflezing te zien geeft van ongeveer 76 cm (30inches)
iii. Voor plaatsen waar de gemiddelde temperatuur, vochtigheid of gemiddelde barometerdruk, waarbij het
    spel gespeeld wordt, wezenlijk afwijkt van resp. 20°C (68°F), 60% en 76 cm (30 inches), mogen andere
    normen vastgesteld worden. Aanvragen voor zulke aangepaste normen kunnen door de Nationale bond
    dan ook tot de Internationale Tennis Federation worden gericht en moeten, indien goedgekeurd, voor
    zulke plaatsen worden aangehouden.
iv. Bij alle tests ter bepaling van de omvang moet een omvangmeter gebruikt worden, die bestaat uit een 
    metalen plaat, bij voorkeur roestvrij, van een constante dikte van 0,318 cm (1/8 inch). In het geval van 
    Type 1 (snelle) en Type 2 (gemiddeld snelle) ballen moeten er twee cirkelvormige openingen in de plaat
    zitten van resp. 6,541 cm (2,575 inch) en 6,858 cm (2,700 inch) middellijn. In het geval van Type 3
    (langzame) ballen moeten er twee cirkelvormige openingen in de plaat zitten van resp. 6,985 cm
    (2,750 inch) en 7,302 cm (2,875 inch) middellijn. De binnenrand van de omvangmeter moet een
    bolprofiel hebben met een straal van 0,159 cm (1/16 inch). De bal mag niet door zijn eigen gewicht
    door de kleine opening, maar moet wel door zijn eigen gewicht door de grootste opening vallen.
v. Voor alle vervormingtests, aangegeven bij Regel 3 moet het toestel worden gebruikt dat ontworpen is
    door Percy Herbert Stevens in Groot-Brittannië, gepatenteerd onder no. 230250, samen met de
    nagekomen aanvullingen en verbeteringen daarop, inclusief de vereiste wijzigingen om terugwaartse
    vervorming te bepalen. Andere toestellen die gelijkluidende aflezingen geven als de Stevens toestellen,
    mogen voor het testen van de vervorming van de bal worden gebruikt, indien dergelijke toestellen door
    de ITF zijn goedgekeurd.
vi. Voorschriften voor het doen van tests:
    a. Vóórdruk. Voordat een bal getest wordt, moet deze ongeveer 2,54 cm (1 inch) gelijkmatig worden
        samengedrukt, in de richting van elk van drie middellijnen (de X-, de Y- en de Z-as), die rechthoekig
        ten opzichte van elkaar staan. Deze handeling moet drie keer worden uitgevoerd (in totaal negen
        samenpersingen). Alle tests moeten binnen twee uur na het vooraf samendrukken voltooid zijn.
    b. Gewichtstest (zoals in Regel 3). 
    c. Het testen van de omvang (zie hiervoor par. iv). 
    d. Vervormingtest. De bal moet in een zodanige positie op het aangepaste Stevens toestel worden
        geplaatst, dat geen van de drukplaten van de machine de omhulselnaad van de bal raakt. Het
        contactgewicht wordt aangebracht, de wijzer en het merkteken gelijk gezet, en de schaalaanduiding
        op nul. Het testgewicht gelijk aan 8,165 kg (18 Ib.) wordt op de balans geplaatst en door het wiel te
        draaien met een gelijkmatige snelheid wordt druk uitgeoefend, zodanig dat vijf seconden verlopen 
        van het moment dat de balans van zijn plaats af gaat, totdat de wijzer recht tegenover het merkteken
        staat. Wanneer het draaien ophoudt, wordt de aflezing vastgelegd (binnenwaartse vervorming). Het 
        wiel wordt weer gedraaid totdat het cijfer 10 op de schaal bereikt wordt (2,54 cm - 1 inch -
        vervorming). Het wiel wordt dan met gelijkmatige snelheid in tegengestelde richting gedraaid (op die
        manier wordt de druk verminderd) totdat de wijzer van de balans weer gelijk staat met het
        merkteken. Na 10 seconden wachten wordt, indien nodig, de wijzer op het merkteken ingesteld.
        De aflezing wordt dan vastgelegd (terugwaartse vervorming). Deze handeling wordt op elke bal
       herhaald langs de twee middellijnen onder rechte hoeken t.a.v. de aanvangspositie en t.a.v. elkaar.
    e. Stuittest (zoals in Regel 3). Metingen moeten worden gedaan vanaf de betonnen bodem tot aan de
        onderkant van de bal. 

INDELING BAANOPPERVLAK NAAR SNELHEID
De ITF testmethode die gebruikt moet worden om de snelheid van een baanoppervlak te bepalen is test-methode ITF CS 01/01 (ITF Surface Pace Rating) zoals die is beschreven in de ITF publicatie getiteld "An initial ITF study on performance standards for tennis court Surfaces".
Baanoppervlakken die een ITF Surface Pace Rating (ITF Oppervlaksnelheidsclassificatie) hebben tussen 0 en 35 worden ingedeeld in Categorie 1 (traag). Voorbeelden van baanoppervlakken die onder deze indeling vallen zijn de meeste gemalen baksteen-banen ("gravel") en andere soorten minerale oppervlakken zonder bindmiddel.
Baanoppervlakken die een ITF Surface Pace Rating hebben tussen 30 en 45 worden ingedeeld in Categorie 2 (gemiddeld/gemiddeld snel). Voorbeelden van baanoppervlakken die onder deze indeling vallen zijn de meeste "hardcourt"- banen met diverse acrylachtige deklagen, kunstgrasbanen plus enkele textiele ("tapijt") oppervlakken.
Baanoppervlakken die een ITF Surface Pace Rating hebben van boven de 40 worden ingedeeld in Categorie 3 (snel). Voorbeelden van baanoppervlakken die onder deze indeling vallen zijn de meeste natuurlijke grasbanen, enkele soorten kortpolig kunstgras en een paar soorten tapijt.
N.B.: De voorgestelde overlapping in ITF Surface Pace Rating-waarden voor de bovengenoemde categorieën dient om enige keuzevrijheid van de balsoort mogelijk te maken.

BIJLAGE II
HET RACKET

a. Het slagoppervlak (de besnaring) van het racket moet vlak zijn en bestaan uit een patroon van
    gekruiste snaren, die verbonden zijn met een raam (frame) en die om en om gevlochten zijn of
    aan elkaar bevestigd, waar zij elkaar kruisen, en het patroon van besnaren moet zoveel mogelijk
    gelijkvormig zijn, vooral in het midden niet minder dicht dan in enig ander deel. Het racket dient
    zodanig ontworpen en besnaard te zijn dat de speeleigenschappen aan beide zijden van het
    slagoppervlak identiek zijn. Aan de snaren mogen geen voorwerpen of uitsteeksels bevestigd zijn,
    tenzij deze uitsluitend en in het bijzonder worden aangewend om slijtage en scheuren of trilling te 
    beperken of te voorkomen, en voor deze doeleinden redelijk van maat zijn en op een redelijke
    plaats zijn aangebracht.
b. De totale lengte van het frame van de racket - de handgreep inbegrepen - mag niet groter zijn
    dan 73,66 cm (29 inches). De totale breedte van het frame van het racket mag niet groter zijn
    dan 31,75 cm (12,5 inches). Het slagoppervlak mag niet langer zijn dan 39,37 cm (15,5 inches)
    en niet breder dan 29,21 cm (11,5 inches).
c. Aan het frame, met inbegrip van de handgreep, mogen geen voorwerpen en vindingen bevestigd
    zijn, tenzij deze uitsluitend en in het bijzonder worden aangewend om slijtage en scheuren, of om
    trilling te beperken of te voorkomen, of het gewicht te verdelen. Alle voorwerpen en vindingen
    moeten voor zulke doeleinden redelijk van maat zijn en op een redelijke plaats zijn aangebracht.
d. Het frame, met inbegrip van de handgreep en de snaren, mag geen enkele voorziening hebben,
    die het mogelijk maakt om gedurende het spelen van en punt de vorm van het racket wezenlijk te
    veranderen, de verdeling van het gewicht te wijzigen in de richting van de lengteas van het racket
    waardoor het zwaaimoment van de traagheid (inertie) wordt gewijzigd of die toelaat om opzettelijk
    enige fysieke eigenschap van het racket te wijzigen welke invloed kan hebben op de prestaties
    van het racket tijdens het spelen van een punt. Er mag geen energiebron in het racket worden
    ingebouwd of aan het racket worden bevestigd, die op welke manier dan ook de speelkarakteristieken
    verandert of beïnvloedt.

BIJLAGE III
ADVERTEREN

1. Adverteren is toegelaten op het net in zo verre deze geplaatst is op het netgedeelte binnen 0,914 m
    (3 feet) van het centrum van de netpalen en dusdanig is geplaatst dat het niet hinderend is voor
    het zicht van de spelers of de speelcondities.
2. Advertenties en andere tekens of materialen geplaatst op het einde en de zijkanten van de baan
    zullen toegelaten worden tenzij ze hinderend zijn voor het zicht van de spelers of de speelcondities.
3. Advertenties en andere tekens of materialen geplaatst op de baanoppervlakte buiten de lijnen is
    toegelaten tenzij ze hinderend zijn voor het zicht van de spelers of de speelcondities.
4. In weerwil van de paragrafen (1),(2) en (3) hierboven, mag een advertentie, tekens of materialen
    geplaatst op het einde en aan de zijkanten van de baan, of op de baanoppervlakte buiten de lijnen,
    geen wit of geel of gelijk elke andere lichte kleur bevatten, die hinderend kunnen zijn voor het zicht
    van de spelers of de speelcondities.
5. Advertenties en andere tekens of materialen zijn niet toegelaten op de speeloppervlakte binnen de lijnen.

BIJLAGE IV
ALTERNATIEVE TELMETHODEN

DE TELLING TIJDENS EEN SPEL:
“No-Ad” SCORINGSMETHODE
Deze alternatieve scoringsmethode mag gebruikt worden.
Een “No-Ad” spel scoort als volgt waarbij de score van de serveerder eerst afgeroepen wordt:

  • geen punt          'Love'
  • eerste punt        '15'
  • tweede punt      '30'
  • derde punt         '40'
  • vierde punt        'spel'

 

Als beide spelers/teams elk 3 punten gewonnen hebben, de score is dan “40 gelijk”, wordt er een beslissend gespeeld.
De ontvanger(s) kiest de rechter of linker speelhelft van het terrein waarin hij de opslag wenst te ontvangen. De ontvangende spelers in een dubbelspel, kunnen niet van plaats wisselen om dit beslissende punt te ontvangen. De speler/het team die het beslissende punt wint, wint het “spel”.
In een gemengd dubbelspel zal de speler/speelster van hetzelfde geslacht als de serveerder de ontvanger zijn van het beslissende punt. De spelers van het ontvangende team mogen niet van plaats wisselen bij het ontvangen van dit beslissend punt.
In alle competities in België geldt het verbod om de “No-Ad” scoringsmethode te gebruiken.

SCORES IN EEN SET:

1. KORTE SETS
De eerste speler/team die/dat vier spellen wint, wint de set, vooropgesteld dat er een marge is van twee spellen of meer t.o.v. de tegenstander(s). Indien de stand vier gelijk wordt bereikt moet een tie-break worden gespeeld.
2. BESLISSENDE WEDSTRIJD-TIE-BREAK (7 punten)
Wanneer in een wedstrijd de stand één set gelijk is, of twee sets gelijk in een wedstrijd om drie gewonnen sets, wordt er een tie-break spel gespeeld om de wedstrijd te beslissen. Dit tie-break spel vervangt de beslissende laatste set. De speler die het eerst zeven punten wint, wint deze wedstrijd-tie-break en de wedstrijd, vooropgesteld dat hij met een verschil van tenminste twee punten leidt.
3. BESLISSENDE WEDSTRIJD-TIE-BREAK (10 punten)
Wanneer in een wedstrijd de stand één set gelijk is, of twee sets gelijk in een wedstrijd om drie gewonnen sets, wordt er een tie-break spel gespeeld om de wedstrijd te beslissen. Dit tie-break spel vervangt de beslissende laatste set. De speler die het eerst tien punten wint, wint deze wedstrijd-tie-break en de wedstrijd, vooropgesteld dat hij met een verschil van tenminste twee punten leidt. 

NOTA: Wanneer er een beslissende match tie-break gespeeld wordt in plaats van een derde set:

  • De originele servicevolgorde blijft behouden.(Regels 5&14)
  • In een dubbelspel, mag de service- of ontvangstvolgorde ge- wijzigd worden, zoals in het begin van elke set.(Regel 14&15)
  • Voor de start van de beslissende match tie-break is er een 120 seconden setbreak.
  • Er wordt geen ballenwisseling doorgevoerd voor de start van een beslissende match tie-break zelfs als de ballenwisseling op dat ogenblik voorzien was.

 

BIJLAGE V
BEVOEGDHEDEN VAN OFFICIALS OP DE BAAN.

De wedstrijdleider is de hoogste autoriteit voor alle vragen aangaande de tennisregels en zijn beslissing is onherroepelijk.
Bij wedstrijden, waarvoor een scheidsrechter is aangewezen, is diens beslissing aangaande feitelijke waarnemingen onherroepelijk.
De spelers hebben het recht om de wedstrijdleider naar de baan te vragen indien zij niet akkoord gaan met een beslissing van de scheidsrechter aangaande de tennisregels.
In wedstrijden waar lijnrechters, netrechters, voetfoutrechters zijn aangeduid, zijn hun beslissingen over feitelijke waarnemingen aangaande hun taak onaantastbaar. De scheidsrechter heeft het recht de beslissing van de lijn- of netrechter te wijzigen indien hij zeker is dat er een duidelijke fout is gemaakt. De stoelscheidsrechter is zelf verantwoordelijk voor die lijnen (inclusief voetfouten) en het net indien waarvoor geen lijn- of netrechter is aangewezen.
Wanneer een lijnrechter niet in staat is een beslissing te geven, moet hij dit onmiddellijk aan de scheidsrechter kenbaar maken,, die dan zelf moet beslissen.
Wanneer een scheidsrechter niet in staat is te beslissen over een feitelijke waarneming, moet hij een let geven.
In ploegwedstrijden waar de wedstrijdleider naast de baan zit, is de wedstrijdleider ook de hoogste autoriteit aangaande feitelijke waarnemingen.
De wedstrijd kan te allen tijde gestopt of onderbroken worden indien de stoelscheidsrechter dit nodig of aangewezen acht.
De wedstrijdleider mag te allen tijde en geheel naar eigen inzicht een wedstrijd onderbreken wegens duisternis, de toestand van de baan of het weer. Indien de wedstrijd onderbroken wordt wegens duisternis, moet dit gebeuren op het einde van een set, of na een even aantal spellen in de aan de gang zijnde set.
Na elke onderbreking moet de wedstrijd op de verkregen stand en met dezelfde opstelling op het speelveld worden voortgezet.
De stoelscheidsrechter en de wedstrijdleider nemen de nodige beslissingen aangaande “doorlopend spel” en “coachen” volgens de geldende en goedgekeurde gedragscode.

Geval 1 : De stoelscheidsrechter geeft de serveerder een eerste opslag na een “overrule”, maar de ontvanger stelt dat het een tweede opslag moet zijn, omdat de serveerder al een foute service heeft geslagen. Mag aan de wedstrijdleider worden gevraagd om een beslissing te nemen?
Beslissing: Ja. Een kwestie van tennisregels, d.w.z. een kwestie m.b.t. het hanteren van specifieke feiten, moet eerst worden beslist door de scheidsrechter. Indien de scheidsrechter echter twijfelt, of indien een speler diens beslissing betwist, moet de wedstrijdleider worden verzocht een beslissing te nemen, zijn beslissing is onherroepelijk.

Geval 2: een bal wordt uitgegeven, maar de speler stelt dat de bal goed was. Mag de wedstrijdleider een beslissing nemen?
Beslissing: Neen. Dit is een kwestie van feiten, d.w.z. een kwestie m.b.t. wat daadwerkelijk gebeurde tijdens een bepaald voorval en de beslissing van de op de baan fungerende officials is daarom onherroepelijk.

Geval 3: Mag een scheidsrechter een lijnrechter aan het eind van de slagenwisseling overrulen indien, naar zijn oordeel, tijdens de slagenwisseling een duidelijke fout is gemaakt?
Beslissing: Neen. Een scheidsrechter mag een lijnrechter enkel overrulen indien hij dat onmiddellijk doet nadat de fout is begaan.

Geval 4: Een lijnrechter geeft een bal uit en de speler beweert dat de bal goed was. Is het de stoelscheidsrechter toegelaten om de lijnrechter te overrulen?
Beslissing: Nee. Een stoelscheidsrechter mag nooit overrulen als gevolg van het protest of beroep van een speler.

Geval 5: Een lijnrechter geeft een bal uit. De scheidsrechter kon het niet duidelijk zien, hoewel hij dacht dat de bal in was. Mag hij de lijnrechter overrulen?
Beslissing: Nee. Een scheidsrechter mag alleen overrulen, indien hij vindt dat een afroep boven alle redelijke twijfel foutief was. Hij mag bij een bal, die door een lijnrechter als goed beoordeeld werd, slechts overrulen indien hij werkelijk ruimte heeft kunnen zien tussen de bal en de lijn; en hij mag bij een bal, die door een lijnrechter uit of fout gegevens is, alleen overrulen als hij gezien heeft dat de bal op de lijn of binnen de lijn terecht is gekomen.

Geval 6: Mag een lijnrechter zijn afroep herzien nadat de scheidsrechter de stand heeft afgeroepen?
Beslissing: Ja. Wanneer een lijnrechter zich realiseert, dat hij een vergissing heeft begaan, mag hij deze herstellen, mits hij dit onmiddellijk doet en dit niet het gevolg is van een protest of beroep van een speler.

Geval 7: Indien een stoelscheidsrechter of een lijnrechter een bal uit geeft en dit meteen corrigeert naar goed, welk is dan de correcte beslissing?
Beslissing: De stoelscheidsrechter moet beslissen of de oorspronkelijke “uit” afroep hinderlijk was voor of de een of de andere speler. Indien het hinderend was wordt het punt opnieuw gespeeld. Indien het niet hinderend was, wint die speler die de bal sloeg het punt.

Geval 8: Een bal wordt door de wind terug over het net geblazen en de speler reikt correct over het net om te trachten de bal te spelen. De tegenstrever hindert hierbij deze speler. Wat is de correcte beslissing?
Beslissing: De stoelscheidsrechter moet beslissen of het hinderen vrijwillig of onopzettelijk was en dan ofwel het punt toekennen aan de gehinderde speler ofwel het punt laten herspelen.

PROCEDURES VOOR HERZIENING EN INTERPELLATIES VAN DE TENNISSPELREGELS

1. INLEIDING

1.1. Deze procedures werden goedgekeurd door de Beheerraad (“Board of Directors”) van de Internationale Tennisfederatie op 17 mei 1998.
1.2. De Beheerraad kan te allen tijde aan deze procedures wijzigingen of toevoegingen aanbrengen. 

2. DOELSTELLINGEN
2.1. De Internationale Tennisfederatie beheert de Tennisspelregels en is ertoe gehouden om:
a) het traditionele karakter en de integriteit van de tennissport te bewaren;
b) actief mede te werken aan het behoud van de vaardigheden die traditioneel vereist zijn om tennis te spelen;
c) verbeteringen aan te moedigen welke de uitdaging van het spel behouden;
d) een eerlijke competitie te verzekeren.

2.2. Teneinde de herzieningen en interpellaties m.b.t. de tennisspelregels op een eerlijke, logische en nauwkeurige wijze te laten geschieden, zijn de hiernavermelde procedures van toepassing. 

3. ONDERWERP
3.1. Deze procedures zullen van toepassing zijn op de volgende regels :
a) Regel 1 - Het speelveld
b) Regel 2 - De bal
c) Regel 3 - Het racket
d) Bijlage 1 en 2 van de Tennisspelregels
e) Gelijk welke andere tennisspelregels waarover de Internationale Tennis Federatie beslist. 

4. STRUCTUUR
4.1. De regels zullen volgens deze procedures door een Reglementscommissie worden bepaald.
4.2. Dergelijke regels zullen bindend zijn, behoudens voorlegging aan een beroepsinstantie volgens de geldende procedures. 

5. TOEPASSING
5.1. Reglementswijzigingen kunnen worden doorgevoerd :
a) Ingevolge een motie van de Beheerraad; of
b) Na ontvangst van een aanvraag die in overeenstemming is met de hiernavermelde procedures.

6. BENOEMING EN SAMENSTELLING VAN DE REGLEMENTSCOMMISSIE
6.1. De Reglementscommissie wordt aangesteld door de voorzitter van de Internationale Tennis Federatie of door zijn aangestelde en bestaat uit het aantal leden zoals bepaald door de voorzitter of zijn aangestelde.
6.2. Indien meer dan 1 persoon wordt aangesteld, zal de Reglementscommissie uit de bestaande leden één persoon aanduiden als voorzitter.
6.3. Deze voorzitter regelt zelf alle procedures vóór en tijdens elke herziening en/of interpellatie door de Reglementscommissie. 

7. REGELS VOORGESTELD DOOR DE REGLEMENTSCOMMISSIE
7.1. Details aangaande een voorgestelde regel, ter goedkeuring voorgelegd aan de Beheerraad, mag aan bona fide personen, spelers, uitrustingsfabrikanten, nationale federaties of hun leden
worden voorgelegd indien zij enig belang hebben bij de voorgestelde regel.
7.2. Elke als dusdanig benaderde persoon zal over een redelijke termijn beschikken binnen dewelke aangaande de voorliggende regel commentaar, bezwaren, vragen om informatie kunnen worden ingediend bij de voorzitter of diens aangestelde.

8. REGLEMENTSAANVRAGEN
8.1. Een aanvraag tot reglementering kan worden ingediend door gelijk welke partij die een bona fide belang heeft aangaande de Tennisspelregels, met inbegrip van spelers, uitrustingsfabrikanten of nationale federaties en hun leden.
8.2. Elke aanvraag tot reglementering dient schriftelijk aan de voorzitter te worden gericht.
8.3. Om te kunnen worden aanvaard, dient een aanvraag minstens aan de volgende vormvereisten te voldoen :
a) Volledige naam en adres van de aanvrager.
b) Datum van de aanvraag.
c) Een verklaring waarin duidelijk de redenen vermeld worden waarom de aanvrager het voorstel formuleert.
d) Alle mogelijke documentatie waarop de aanvrager zich tijdens een eventuele hoorzitting wenst te baseren.
e) Indien volgens de aanvrager een expertise noodzakelijk is, dient hij een aanvraag bij te voegen om dergelijke expert te laten horen. Dergelijke aanvraag dient de identiteit te vermelden van de expert die wordt voorgesteld evenals diens uitslag van de expertise.
f) Wanneer een aanvraag tot reglementsaanpassing wordt ingediend die betrekking heeft op een racket of enig ander uitrustingsstuk, dient samen met de aanvraag een prototype of exacte kopie van het betrokken uitrustingsstuk te worden bijgevoegd.
g) Indien er volgens de aanvrager buitengewone of ongewone omstandigheden zijn waarvoor een reglementsaanpassing binnen een vooropgestelde termijn of vóór een bepaalde datum dient te geschieden, zal hij een verklaring bijvoegen waarin de buitengewone of ongewone omstandigheden worden omschreven. 
8.4. Indien een aanvraag tot reglementsaanpassing niet de informatie en/of uitrustingsstukken bevat waarnaar verwezen wordt in punt 8. 3 (a) - (g) supra, zal de voorzitter of zijn aangestelde de aanvrager hiervan op de hoogte brengen. Hierbij zal aan de aanvrager een redelijke en vastgestelde termijn worden verleend om aan het ontbrekende te voldoen. Indien de aanvrager nalaat om binnen de vooropgestelde termijn aan het ontbrekende te voldoen, zal diens aanvraag worden afgewezen. 

9. BIJEENROEPING VAN DE REGLEMENTSCOMMISSIE
9.1. Na ontvangst van een geldige aanvraag of na beslissing van de Beheerraad, kan de voorzitter of zijn aangestelde een reglementscommissie samenroepen om de aanvraag te behandelen.
9.2. Indien de voorzitter van de commissie de mening toegedaan is dat de aanvraag op een degelijke manier kan behandeld worden, is de reglementscommissie er niet toe gehouden om een hoorzitting te organiseren. 

10. PROCEDURE VOOR DE REGLEMENTSCOMMISSIE
10.1. De voorzitter van de Reglementscommissie zal beslissen aangaande de vormvereisten, procedure en datum van de herziening of hoorzitting.
10.2. De voorzitter zal de aanvrager, persoon of federatie die te kennen heeft gegeven enig belang te hebben bij de voorgestelde reglementsaanpassing, schriftelijk op de hoogte brengen van de formaliteiten zoals vermeld onder 10.1. supra.
10.3. De voorzitter behandelt zelf alle vormvereisten aangaande het bewijsmateriaal en is geenszins gebonden aan enigerlei rechtsregels aangaande procedure en ontvankelijkheid van bewijsmateriaal, met dien verstande dat de herziening en/of hoorzitting correct verloopt waarbij de betrokken partijen de nodige kansen krijgen om hun zaak voor te leggen.
10.4. Tijdens de procedure zal elke herziening en/of hoorzitting:
a) plaatsvinden achter gesloten deuren;
b) de Reglementscommissie kan dergelijke zittingen verdagen en/of uitstellen. 
10.5. De voorzitter kan naar eigen goeddunken te allen tijde bijkomende leden co-opteren voor de Reglementscommissie op basis van hun speciale kennis of ervaring aangaande specifieke
onderwerpen waarvoor dergelijke kennis of ervaring nodig blijkt. 
10.6. De reglementscommissie treft een beslissing bij gewone meerderheid. Leden van de Reglementscommissie mogen zich niet onthouden.
10.7. De voorzitter heeft het recht om aan de aanvrager (en/of enige andere individuele personen of organisaties die om informatie verzoeken bij een herziening en/of hoorzitting) kosten aan te rekenen voor de aanvraag en/of de effectieve uitgaven die werden verricht door de reglementscommissie voor testen of het opmaken van rapporten die betrekking hebben op uitrustingsstukken die betrekking hebben op een reglementstekst. 

11. MEDEDELING
11.1. Van zodra de Reglementscommissie een beslissing heeft getroffen, zal deze de aanvrager of personen en/of verenigingen die belang hebben bij het voorstel tot reglementswijziging, hiervan zo snel mogelijk schriftelijk op de hoogte worden gebracht.
11.2. In deze schriftelijke mededeling zullen de motieven van de beslissing door de Reglementscommissie worden opgesomd.
11.3. Na mededeling aan de aanvrager of na vermelding van een specifieke ingangsdatum bepaald door de Reglementscommissie, zal de nieuwe regel, uitgevaardigd door de Reglementscommissie, onmiddellijk van toepassing zijn en deel uitmaken van de Tennisspelregels. 

12. TOEPASSING OP DE HUIDIGE TENNISSPELREGELS
12.1. Alhoewel de Reglementscommissie over de bevoegdheid beschikt om voorlopige regels uit te vaardigen, zullen de huidige Tennisspelregels van toepassing blijven totdat een herziening en/of hoorzitting door de Reglementscommissie werd beëindigd en totdat deze Reglementscommissie over de regel een beslissing heeft getroffen.
12.2. Vóór en tijdens een herziening en/of hoorzitting is de voorzitter van de Reglementscommissie gemachtigd om bepaalde richtlijnen op te stellen die noodzakelijk worden geacht voor de toepassing van de Tennisspelregels en voor de te volgen procedures, met inbegrip van het uitvaardigen van voorlopige regels.
12.3. Dergelijke voorlopige regels kunnen tevens het verbod inhouden van het gebruik van eender welk uitrustingsstuk of tennismateriaal dat onder de Tennisspelregels valt en dit voor zolang de Reglementscommissie nog geen beslissing heeft getroffen aangaande het feit of het uitrustingsstuk voldoet aan de vereisten van de Tennisspelregels. 

13. BENOEMING EN SAMENSTELLING VAN DE BEROEPSCOMMISSIE
13.1. Uit de leden van de Beheerraad/Technische Commissie zullen door de voorzitter of zijn aangestelde, leden worden benoemd voor de Beroepscommissies.
13.2. Geen enkel lid van de Reglementscommissie die de oorspronkelijke regel opstelde, mag deel uitmaken van dergelijke Beroepscommissie.
13.3. Een beroepscommissie zal worden samengesteld uit het aantal leden zoals bepaald door de voorzitter of zijn aangestelde met een minimum van drie leden.
13.4. De Beroepscommissie zal onder haar leden één persoon aanduiden als voorzitter.
13.5. De voorzitter is ertoe gemachtigd om een procedure uit te werken voorafgaandelijk of tijdens een hoorzitting van beroep. 

14. AANVRAAG TOT BEROEP
14.1. De aanvrager (of een andere persoon of vereniging die er belang bij heeft en die commentaar, bezwaren of verzoeken heeft ingediend m.b.t. een voorgelegde regel) kan een aanvraag tot behandeling inroepen voor een regel uitgevaardigd door de Reglementscommissie.
14.2. Om ontvankelijk te zijn dient een aanvraag tot beroep te voldoen aan de volgende vormvereisten:
a) De aanvraag dient schriftelijk te worden gericht aan de voorzitter van de Reglementscommissie die de regel heeft opgemaakt binnen een termijn van 45 dagen na kennisgeving van de regel.
b) De aanvraag dient de details te vermelden van de regel waartegen beroep wordt aangetekend, en 
c) De aanvraag dient melding te maken van de gemotiveerde redenen van het beroep. 
14.3. Na ontvangst door de voorzitter van de Reglementscommissie die de regel uitvaardigde van een geldige aanvraag tot beroep, kan de voorzitter eisen dat een redelijke beroepswaarborg wordt betaald door de aanvrager.
Dergelijke waarborg zal aan de aanvrager worden terugbetaald indien het beroep werd ingewilligd. 

15. SAMENROEPEN VAN DE BEROEPSCOMMISSIE
15.1. De voorzitter of zijn aangestelde zal de Beroepscommissie samenroepen na betaling door de aanvrager van de beroepswaarborg.

16. PROCEDURE VOOR DE BEROEPSCOMMISSIE
16.1. De Beroepscommissie en haar voorzitter zullen de procedures en hoorzittingen organiseren overeenkomstig de bepalingen zoals voorzien in punten 10, 11 en 12 supra.
16.2. Na mededeling aan de aanvrager of na vermelding van een specifieke ingangsdatum bepaald door de Beroepscommissie, zal de nieuwe regel, uitgevaardigd door de Beroepscommissie, onmiddellijk van toepassing zijn en deel uitmaken van de Tennisspelregels.

17. ALGEMEEN
17.1. Indien een Reglementscommissie uit slechts één persoon bestaat, is deze enige persoon verantwoordelijk voor het organiseren van de hoorzitting als voorzitter en zal hij zelf bepalen welke procedures dienen te worden gevolgd vóór en tijdens een herziening en/of hoorzitting.
17.2. Alle herzieningen en/of hoorzittingen zullen in de Engelse taal worden gevoerd. Indien een aanvrager en/of een andere persoon of organisatie die opmerkingen, bezwaren of voorstellen formuleert, de Engelse taal niet machtig is, dient een tolk te worden ingeschakeld. Indien mogelijk zal de tolk een onafhankelijk persoon zijn.
17.3. De Reglementscommissie of Beroepscommissie mag uittreksels uit haar eigen regels publiceren.
17.4. Alle mededelingen aangaande deze procedures dienen schriftelijk te geschieden.
17.5. Alle mededelingen eigen aan deze procedures worden verondersteld ingang te vinden op de dag dat ze werden medegedeeld, verzonden of overgemaakt aan de aanvrager of andere betrokken partij.
17.6. De Reglementscommissie kan naar eigen goeddunken een aanvraag afwijzen indien deze naar haar mening hoofdzakelijk gelijkaardig is aan een aanvraag of motie waarover een Reglementscommissie een beslissing heeft getroffen en/of een regel heeft opgemaakt binnen een periode van 36 maanden die de aanvraagdatum voorafgaat.

PLAN VAN HET SPEELVELD
SUGGESTIES OVER HOE EEN SPEELVELD AF TE BAKENEN.

De volgende procedure is voor de gebruikelijke gecombineerde dubbel- en enkelspeelveld. (Zie voetnota voor een speelveld gebruikt voor slechts één doel.)
Selecteer eerst de positie van het net; een rechte lijn van 12,80m (42 voet). Markeer het centrum (X op het diagram hierboven) en meet vandaar in elke richting: op 4,11m (13'6) de punten a, b, waar het net de binnenste zijlijnen (enkelzijlijn) kruisen, op 5,03m (16'6") de posities van de enkelspelpaaltjes (n, n), op 5,48m (18'0") de punten A, B, waar het net de buitenste zijlijnen (dubbelzijlijnen) kruisen., op 6,40m (21'0") de posities van de netpalen (N, N), dat het einde is van originele 12,80m (42'0") lijn.
Plaats pinnen op A en B en maak aan de respectieve einden twee meetbanden vast. De eerste, die de diagonaal van een halve speelveld zal meten, heeft een lengte van 16,18m (53'1 ") en de andere (om de zijlijn te meten) heeft een lengte van 11,89m (39'0")
Trek beide lijnen strak aan, zodanig dat deze afstanden samenkomen op een punt C, welke één hoek van het speelveld is. Keer deze metingen om, om de andere hoek D te vinden.

Als controle van deze metingen is het raadzaam om in dit stadium de lengte van lijn CD te verifiëren, zijnde de achterlijn (basislijn), die moet worden gevonden op 10,97m (36'0 "); en in dezelfde tijd kan zijn centrum J worden gemerkt, en ook de einde van de binnenste zijlijnen (c, d), 1,37m (4'6") vanaf C en D.

De middenservice-lijn en de service-lijn worden nu gemerkt door middelen van de punten F, H, G, die gemeten zijn op 6,40m (21'0 ") van de netlijn, respectievelijk bc, XJ, ad.

Identieke procedure aan de andere kant van het net voltooit het speelveld.
Als slechts een enkelspeelveld vereist is, zijn geen lijnen noodzakelijk buiten de punten a, b, c, d, maar het speelveld kan worden uitgemeten zoals hierboven.
Als alternatief, kan de hoeken van de basislijn (c, d), ondien gewenst; worden gevonden, door de twee linten vast te pinnen bij a en b in plaats van bij A en B, en gebruik dan als lengte 14,46m (47'5 ") en 11,89m (39'0"). De netpalen zullen bij n, n, staan, en een 10m (33'0 ") enkelspelnet zal moeten worden gebruikt.

Wanneer voor enkelspelen een gecombineerd dubbel- en enkelspeelveld met een dubbelspelnet wordt gebruikt, moet het net op de punten n, n, tot een hoogte van 1,07 m (3 voet 6 duim) worden ondersteund door middel van twee enkelspelpaaltjes, die niet meer dan 7,5 cm (3 duim) in de vierkant of 7,5cm (3 duim) in diameter mogen zijn. De enkelspelpaaltjes staan met hun hartlijn aan elke zijde op 0.914m (3 voet) buiten het enkelspelveld.

Om gemakkelijk de plaatsen voor deze enkelspelpalen te vinden,
is het wenselijk dat de punten n, n, elk met een witte punt wordt aangeduid, bij het uittekenen van het speelveld.

Nota:
Als leidraad voor internationale competities, de ruimte achter elke achterlijn (basislijn) moeten tenminste een afstand van 6,40m (21 voet) hebben en naast elke zijlijn een ruimte van tenminste 3,66m (12 voet).
Als leidraad voor de club- of recreatietornooien, moet achter elke achterlijn (basislijn) een ruimte zijn van tenminste 5,48m (18 voet) en naast elke zijlijn een ruimte van tenminste 3,05m (10 voet).
Als leidraad, voor overdekkingen, moet het dak tenminste 9,14m (30 voet) hoog zijn.


februari 2004

design by BoulevArt | development by Cegeka